‘Ik dacht, pik dan toch terug!’ vertelt de boer wat gegeneert. ‘Zo’n haan die zich door een stel kippen op de kop laat zitten… Maar toen lag hij dus ‘s morgens in de hoek’.
‘Wij hebben een nieuwe haan nodig!’, reageert de boerin spontaan wanneer ik vertel dat ik twee hanen heb en dus eentje te veel. ‘Wij hebben geen haan meer en als biologische boer hoor je bij kippen een haan te houden.’ ‘Maar wat is er dan gebeurd met de vorige?’wil ik nu toch wel weten. ‘Hij is vermoord’, de boerin slikt en stopt met het afrekenen van het vlees. Wat afwezig liggen haar vingers nog op het pakje diepvrieskipfilet. ‘Zo erg, alle kippen hadden het op hem voorzien en uiteindelijk hebben ze hem doodgepikt.’
‘Tjeetje’, meer weet ik ook zo gauw niet te zeggen, ‘tjeetje, was er dan niks mis met die haan?’ ‘Nee, nee’, de boerin schudt beslist haar hoofd en vervolgt verontwaardigd, ‘er was niks mis met die haan… het zijn de kippen. Zo naar wat die met elkaar kunnen doen. Breng jouw haan maar hier en je krijgt in ruil daarvoor een legkip, overleg maar even met mijn man’.
Ik loop met de boer naar het kippenhok en bekijk de dames nu toch anders. En komt het straks wel goed met onze haan. Een behoorlijk hanig type daar niet van, maar veertig moordlustige dames? Wat zou ze hebben bezield? ‘Wijs maar aan welke je wilt’, stelt de boer voor en ik lach, alsof hem dat gaat lukken. ‘Nou doe die kleinste onder die plank maar’, wijs ik tussen de veertig witte kippen. Knappe jongen die dat kan denk ik er achter aan. Langzaam draait de boer met zijn lichaam richting de kip en schiet vliegensvlug toe. Warempel! Hij heeft die kleine te pakken. De kip kotst van angst haar hele maaginhoud leeg en protesteert heftig tegen haar verpakking in een doos. Marit en Brenna hebben alles met grote interesse gevolgd. Dankzij de vangst van de kip zijn ze het horrorgedeelte van dit bezoek al zo’n beetje vergeten. ‘Kippen maken altijd van die vriendelijke geluidjes’, constateert de boer tevreden wanneer hij de doos aan de meisjes overhandigt en er onder de kartonnen flappen een zacht ‘pwóóók’ klinkt. 
Thuis vang ik eerst de haan die ik vertel over de negenendertig blanke dames voor hem alleen. En dat zo’n stevige kerel als hij zich vast goed zal voelen op zijn nieuwe adres, maar onwillekeurig denk ik aan een oud collega die intens treurig kon vertellen hoe het was als enige zoon met acht zusters (maar wel een eigen kamer!) en de andere collega die ruim dertig vrouwen leiding moest geven en de verbijsterde blik in zijn ogen als hij vertelde over wat die dames elkaar konden aan doen. ‘Het is maar een haan’, spreek ik mijzelf streng toe. Ik eet wekelijks kip potverdorie.
De haan zit in de doos en dus kan de nieuwe kip er uit. Onze haan die blijven mag verslikt zich van schrik in een stukje mais en zet alle veren op en houdt zijn vleugels wijd terwijl hij de witte schoonheid een hoek van het hok in probeert te drijven. Vergeleken met de drie andere vrouwen uit zijn harem is ze reusachtig. Ze kijkt hem met één oog indringend aan en ik snap nu ook meteen waarom veel mannen het er niet zo op hebben, op een langere vrouw. Het is inderdaad wat lastig imponeren wanneer je je best staat te doen en zo’n chicky kijkt dan van boven met één geel oog op je neer.

Intussen vriest het ook nog dat het kraakt en voorzie ik de dames regelmatig van vers water en extra voer. ‘s Avonds controleer ik het nachthok en doe het deurtje dicht tegen de tocht. De nieuwe kip die Francis is gedoopt zit de eerste avond nog buiten op een tak maar laat zich in het donker makkelijk oppakken en in het nachthokje duwen. De dag erna liggen er in het zaagsel drie eitjes. Twee kleintjes en één grote. Ik raap ze op en wil de dames bedanken en draai me om. Gedecideerd komt Francis op mij afgestapt, kijkt eerst met één oog omhoog en pikt mij dan hard in mijn laars. Ze maalt niet om formaat.